Mythes en misverstanden in Trainen & Support, deel 2
BLOG | Richard Benschop Ctac Learning & Change

Ieder vakgebied kent ze wel. Hardnekkige meningen en verhalen die telkens opnieuw verteld worden. Die voor waar worden aangenomen en de geldende opinie zijn geworden. Maar die bij nader onderzoek een mythe of misverstand blijken te zijn. In deze serie blogs zal ik een aantal bekende mythes en misverstanden uit de wereld van trainen en support ophelderen.

Het eerste deel ging over de aandachtspanne van een goudvis. In dit deel staat de Learning Pyramid centraal.

MYTHE 2: “WE ONTHOUDEN 90% VAN WAT WE DOEN”

In 1946 introduceerde Edgar Dale (1900 – 1985) in het boek ‘Audio-Visual Methods in Teaching’ voor het eerst zijn ‘Cone of Experience’. In deze kegel rangschikt hij de door hem toegepaste leerinterventies. De oplopende volgorde wordt bepaald door de mate waarin de interventie een directe ervaring biedt aan de student. 
Dale onderkent tien verschillende typen interventies, zoals in de afbeelding te zien is. Ze staan in de kegel van minst directe leerervaring naar meest directe leerervaring gerangschikt.

In 1954 en 1969 wordt de kegel telkens een beetje aangepast en worden nieuwe categorieën als ‘educational television’ en ‘study trips’ toegevoegd. In geen van de versies gebruikt Dale overigens percentages of benoemt hij de uitkomst van zo’n interventie. Ook beroept hij zich nergens op research die aan deze indeling ten grondslag zou kunnen liggen.

Opeens verschijnt, waarschijnlijk rond 1970, een geheel nieuwe versie. Wie verantwoordelijk is voor deze versie is onbekend, net als waar de cijfers en categorieën vandaan komen. 
Toch is de kans groot dat je de ‘Learning Pyramid’ ooit hebt gezien of gehoord:

Mensen onthouden:

10% van wat ze lezen
20% van wat ze horen
30% van wat ze zien
50% van wat ze zien en horen
70% van wat ze zeggen en schrijven en
90% van wat ze doen

Als je Google laat zoeken naar de ‘Learning Pyramid’ kom je talloze varianten en weergaven tegen. Maar hoe behulpzaam dit overzicht ook mag zijn om de complexiteit van het kiezen van de juiste werkvorm tot een minimum terug te brengen tot een simpele formule: hij klopt helemaal niet! 

Er blijkt geen bewijs voor te vinden. Noch voor de categorieën. Noch voor de getallen. En degene aan wie de opsomming wordt toegeschreven (Chi et al.) heeft verklaard deze niet te herkennen als onderdeel van hun onderzoek. De getallen zijn natuurlijk ook te mooi om waar te zijn. Prachtig afgerond. Dat alleen zou al een teken aan de wand moeten zijn. 

Deze mythe lijkt daarom vooral populair onder opleiders die op zoek zijn naar een simpel antwoord op de vraag hoe mensen leren en hoe ze het best getraind kunnen worden. Natuurlijk is het zo dat oefening een wezenlijk onderdeel vormt van het leerproces. Maar dat je 90% zult onthouden als je geoefend hebt is echt te kort door de bocht. 

De hoeveelheid oefening en de mate waarin deelnemers het getrainde moeten kunnen onthouden zullen per opleidingsvraag en doelgroep moeten worden vastgesteld. De rol die een deelnemer gaat vervullen, zijn voorkennis, de mate waarin de taak of de applicatie nieuw zijn. Allemaal variabelen die een belangrijke rol spelen bij de kennisopbouw van de deelnemers en die dus bij het ontwikkelen van een training meegenomen moeten worden.

Een prachtig praktijkvoorbeeld is dat van de opleiding voor je rijbewijs. Naast theoretische kennis moet je ook de nodige praktijkervaring opdoen, voor je het examen kunt afleggen. En niet iedereen doet er even lang over om zich voor te bereiden of slaagt gelijk de eerste keer. Hoe vaak heb jij de hellingproef moeten oefenen voor je hem onder de knie had?

Laten we afspreken dat we ons voortaan bij het ontwikkelen van een training niet langer laten leiden door de getallen uit de ‘Learning Pyramid’. Laten we de deelnemer als uitgangspunt nemen en de training afstemmen op wat hen straks op de werkplek echt verder zal helpen.